Lezingen van de dag

Dinsdag in week 25 door het jaar

Uit het boek Ezra 6,7-8.12b.14-20.
In die dagen schreef koning Darius aan de stadhouders uit het gebied
aan de overzijde van de Rivier: Laat het werk aan de tempel van God
ongestoord voortgang vinden. De gouverneur en de oudsten van de Judeeërs
mogen de tempel herbouwen op zijn vroegere plaats.
En ik heb bevel gegeven dat u de oudsten van de Judeeërs
moet steunen bij de bouw van de tempel van God: zij moeten de kosten
steeds volledig vergoed krijgen uit de koninklijke schatkist,
uit de belastingopbrengst van de provincie Trans-Eufraat, zolang als nodig is.
Ik, Darius, heb dit bevel gegeven, en het moet nauwkeurig worden uitgevoerd.’
De oudsten van de Judeeërs vorderden gestaag met de bouw, dankzij het optreden
van de profeet Haggai en van Zacharia, de kleinzoon van Iddo. Zij voltooiden de tempelbouw
zoals de God van Israël en de Perzische koningen Cyrus, Darius en Artaxerxes bevolen hadden.
In het zesde regeringsjaar van koning Darius,
op de derde dag van de maand adar, was de tempel gereed.
De Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overige teruggekeerde ballingen,
vierden de inwijding van de tempel van God met vreugde,
en daarvoor brachten zij de volgende offers: honderd stieren, tweehonderd rammen
en vierhonderd lammeren. Daarnaast offerden zij nog twaalf geitenbokken
als reinigingsoffer voor heel Israël, één voor elk van de twaalf stammen.
Ook werden de priesters ingedeeld in hun klassen en de Levieten in hun afdelingen,
voor de dienst van God in Jeruzalem, volgens de voorschriften in het boek van Mozes.
De teruggekeerde ballingen vierden Pesach op de veertiende dag van de eerste maand.
De priesters en de Levieten hadden zich allemaal gereinigd, zij allen waren rein.
Ze slachtten het pesachlam voor alle ballingen, voor hun medepriesters, en voor zichzelf.


Psalmen 122(121),1-2.3-4a.4b-5.
Hoe blij was ik toen men mij riep:
Wij trekken naar Gods huis!
En nu mag mijn voet, Jeruzalem
uw poorten binnentreden.

Jeruzalem, ommuurde stad,
zo dicht opeen gebouwd:
Daarheen trekken de stammen op,
de stammen van Gods volk.

Zij gaan naar Israëls gebruik
de Naam van God vereren.
Daar staan de zetels voor het recht,
de troon van Davids huis.


Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 8,19-21.
In die tijd zijn moeder met zijn broeders bij Jezus, maar vanwege de menigte konden zij Hem niet bereiken.
Men liet Hem dus weten: 'Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen u spreken.'
Maar Hij gaf hun ten antwoord: 'Mijn moeder en mijn broeders zijn zij, die het woord van God horen en er naar handelen.'